102. Waarom is integreren in een nieuwe (sub)cultuur zo moeilijk?

HANDS

DE scène uit Pride & Prejudice die menig vrouwenhart deed sneller slaan: OOGCONTACT! HANDCONTACT! *swoon*

 

Iets met normen en waarden, dat hoor je toch regelmatig: ze moeten zich aanpassen aan onze normen en waarden; ze moeten onze cultuur respecteren. Dat soort dingen. Het lijkt voor de hand liggend: als je bij iemand thuis wordt uitgenodigd, dan pas je je aan aan de gewoonten van dat huis. Boom, discussie gedaan.

Maar is dat wel zo gemakkelijk? En hoe weet je wat de gewoonten van het huis zijn als je nooit fouten mag maken zodat je kan bijleren? (En wat is dat met die foto’s uit Pride and Prejudice van Joe Wright?)

Om die vragen te beantwoorden moeten we eventjes eerst een omweg maken langs het idee van moraliteit, en hoe dat werk op het niveau van een samenleving.

 

1. Normen en waarden, wetten en regels

Laten we beginnen met een klein voorbeeld. Stel dat een leerling vraagt of ze in mijn les een joint mag opsteken. Ik ben de eerste autoriteit die ze moet aanspreken om daarvoor toestemming te krijgen. Maar ik ben niet helemaal vrij om de regels in mijn eigen klas te bepalen. Daarvoor ben ik afhankelijk van een hogere autoriteit, nl. het schoolreglement, opgesteld door de directie van mijn school. Die is zelf ook niet vrij daarin: het directieteam moet verantwoording afleggen aan de raad van bestuur van onze scholengemeenschap, en die staat dan weer onder het gezag van de katholieke koepel. Maar die katholieke koepel mag ook niet zomaar beslissen wat ze wil, anders zou ze bijvoorbeeld werknemers kunnen verbieden om een abortus te ondergaan, te scheiden of een homoseksuele relatie te hebben.

Het is de overheid die de regels bepaalt waaraan de katholieke koepel zich moet houden, en dus de regels waaraan ik mij in mijn klas moet houden. Wat ik persoonlijk ook vind van het gebruik van marihuana, maakt niet uit. De wetgever is heel duidelijk dat marihuanabezit en –gebruik verboden is, ook al is er een gedoogbeleid voor volwassenen.

Maar de overheid beslist niet zelf wat ze wel of niet wil doen. Ze is daarvoor afhankelijk van twee andere instanties. De ene is onveranderlijk en gemakkelijk te consulteren, de andere is divers, verandert gemakkelijk van mening en is heel moeilijk om correct te peilen.

 

Laten we bij de eerste beginnen: de grondwet. De grondwet is de tekst die de waarden waarop de Belgische samenleving gestoeld is zo goed mogelijk probeert te articuleren. De grondwet gaat niet alleen over de organisatie van de overheid, met haar vele regeringen en de manier waarop de wetgevende (de parlementen), uitvoerende (de regeringen) en rechterlijke (het hele apparaat van rechtbanken en rechters) met elkaar moeten omgaan. De grondwet gaat ook over welke waarden de Belgische overheid moet verdedigen en beschermen. Die waarden zijn liberale waarden. Niet Open-VLD-liberaal, maar liberalisme als politieke theorie uit de 18e en 19e eeuw: de rechten van de burger draaien om vrijheid, liberté, liberty. Liberalisme beschermt de individuele burger van een overheid die anders veel te veel over ons te zeggen zou kunnen hebben, en van medeburgers die het ons anders heel moeilijk zouden kunnen maken.

Dit zijn, heel kort door de bocht, de waarden van de Franse Revolutie: liberté, egalité, fraternité.

We kennen de regels die bij die waarden horen: gelijkheid wordt beschermd door het idee dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet ongeacht hun sekse, gender, etniciteit, religieuze of politieke overtuiging… De gelijkheid van man en vrouw en het idee dat elke Belgische burger recht heeft op één stem in het democratische proces (en je bijvoorbeeld niet meer stemmen krijgt omdat je meer geld hebt, zoals vroeger wel het geval was), zijn ook manieren om gelijkheid te beschermen. Het zijn de normen die horen bij die waarde.

Vrijheid wordt beschermd door de scheiding van kerk en staat: de overheid heeft geen staatsgodsdienst en kan ook geen godsdienst verplichten voor het volk. De erkende erediensten zijn een vreemde kink in die kabel: ze wijken duidelijk af van de intentie van de grondwet, en daar schreef ik eerder al iets over. Godsdienstvrijheid, vrije schoolkeuze, vrijheid van meningsuiting en persvrijheid zijn allemaal grondwettelijke normen die de waarde van vrijheid vorm geven in onze samenleving.

Broederlijkheid of solidariteit zit gegoten in het idee dat we allemaal belastingen betalen naar ons eigen vermogen. Het geheel van onze rijkdom – onze natuurlijke bronnen, onze ruimte, onze inkomsten, ons onderwijs – wordt samen genomen en herverdeeld. Wie een groot stuk van die rijkdom in handen heeft, zal verplicht worden om af te dragen aan wie minder heeft.

Wanneer de overheid nieuwe wetten wil maken, moet ze dus naar de grondwet kijken. Soms probeert de overheid eens iets speciaals, en dan is er de Raad van State om te checken of de geest van de grondwet wel gerespecteerd wordt.

 

Waarom zou de overheid willen afwijken van de grondwet? Wel, dat gebeurt doorgaans onder druk van die andere invloedsfactor: het volk. Alle burgers die kiesrecht hebben, die dus mee mogen beslissen wie lid is van de wetgevende macht (de parlementen), hebben een stem in de manier waarop de grondwet vorm gegeven wordt. En soms zorgt dat voor verrassende wendingen.

Neem bijvoorbeeld het debat over burqini’s. Flink wat burgers zouden graag hebben dat die bedekkende badkledij verboden wordt. Maar het idee dat een burger niet vrij is om zich te kleden zoals ze wil, gaat in tegen de grondwet. De wettelijke interpretatie is dat zolang iets de veiligheid niet in het gedrang brengt (bijvoorbeeld omdat je rottend vlees draagt of onherkenbaar bent voor gezagsdragers omdat je rondloopt in een kippenkostuum) of niet onzedelijk is (door bijvoorbeeld helemaal naakt over straat te lopen), je mag dragen wat je wil. Maar een deel van de burgers wil dat helemaal niet. Of: dat deel wil dat wel voor zichzelf, maar niet voor een ander. (Ik schreef eerder al een stuk over de niqab waarin dit concept verder uitgewerkt wordt.)

Politici weten heel goed dat hun carrière en de macht die hun partij heeft om bepaalde dingen te realiseren, heel erg afhankelijk is van het volk. Als genoeg burgers zich van hen afkeren, dan zijn ze die dingen kwijt. Als ze genoeg burgers voor zich kunnen winnen, dan breidt hun macht zich uit. En dat is ook goed voor hun carrière. Zelfs politici die echt alleen om de allerbeste redenen in de politiek gegaan zijn, bv. omdat ze echt geloven dat hun ideeën de wereld kunnen verbeteren, moeten dat spel meespelen. De beste ideeën zijn onrealiseerbaar als niemand voor je stemt.

Die relatie werkt ook omgekeerd: soms nemen politici het voortouw en veranderen de wet om een sociale verandering te bekomen. Denk maar aan de Belgische wetgeving rond abortus, euthanasie en lgbtq+-rechten. We staan daar niet bij stil, maar de manier waarop verschillende Belgische regeringen het idee van ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’ geïnterpreteerd hebben, heeft ervoor gezorgd dat we een heel progressieve wetgeving hebben op dat vlak.

 

 

2. Fatsoen, beleefdheid en sociale uitsluiting

Dat is dus het luik van de wetgeving. Maar dat is, zoals het voorbeeld van de burqini al aangaf, niet waar de discussie rond integratie rond draait. Die draait rond iets heel ontastbaar: fatsoen.

Heel wat van de regels en normen waar we ons in het dagelijkse leven aan houden zijn ongeschreven, en soms zelfs onbewust. Dit zijn regels die we omschrijven als ‘normaal gedrag’ of ‘elementaire beleefdheid’. Ze zijn contextgebonden en we kunnen vaak helemaal niet uitleggen waarom we ze belangrijk vinden, alleen dat ze belangrijk zijn.

Een voorbeeld: frietjes eten. Het is absoluut not done om op restaurant te gaan en frietjes te eten met je handen. Voor iemand die graag met haar handen eet, was dat een onaangename ontdekking. Maar tegelijk ga je ook vies bekeken worden als je in een frietkot een mes en vork vraagt voor je frietjes met curryworst. Ook not done.

Het is not done om je schoenen uit te doen op de trein, of in de les, of in de bibliotheek, of op een miljoen verschillende andere plaatsen. In sommige huishoudens dragen mensen gewoon een hele dag schoenen, in andere moet je huisschoenen of pantoffels dragen als je er binnen komt. Sommige mensen hebben zelfs pantoffels voor gasten staan. Nog andere huishoudens verwachten dat je je schoenen aan de deur laat en op kousenvoeten rondloopt in huis. Je weet pas welk gedrag waar verwacht wordt, als je er bent. Je kan eigenlijk niet anders dan vragen houd ik mijn schoenen aan? Die vraag is normaal, zelfs beleefd.

Een derde voorbeeld: het is volstrekt normaal voor mannen om in speedo op het strand rond te flaneren in de zomer, ook als die mannen borsten hebben. Maar als een vrouw blote borsten heeft, dan is dat not done. Het is nog meer not done als die vrouw ook nog eens ‘onaantrekkelijk’ is, wat dat ook moge zijn. Een man mag eventueel ook nog halfnaakt over de dijk lopen, maar dan niet in speedo maar in een short of een bermuda. Een vrouw die in bikini over de dijk rondslentert, zeker een dikke of oudere vrouw, dat is dan weer iets anders. Maar te bedekt rondhangen op het strand, bijvoorbeeld in burqini, dat is dan ook weer niet oké.

 

Als je een wet overtreedt, dan is er een systeem dat jou daarvoor tot de orde roept en je straft als de rechter dat nodig vindt. Maar zo’n systeem is er niet voor fatsoensnormen. In plaats daarvan krijg je reacties. Die reacties reageren van een terechtwijzing (zou jij je schoenen niet eerst uit doen?), over spot (haha, kijk die dikke koe in haar bikini), tot sociale uitsluiting.

Dat laatste is de grootste straf die je kan krijgen voor sociaal onaangepast gedrag. Vaak beseffen mensen niet dat ze dit aan het doen zijn: denk aan de enige moslim in de vriendenkring die niet wordt uitgenodigd voor het vrijgezellenfeest want hij drinkt toch niet, of het feit dat veel restaurants stoelen hebben waar je als dik mens niet op je gemak in kan zitten. Maar net zo vaak is die sociale isolatie heel bewust: we gooien een barbecue en wie geen vlees eet, heeft pech, ze moeten maar normaal doen.

Maar waarom? Waarom eet je frietjes met je handen in het frietkot maar niet op restaurant, terwijl de frietjes van het frietkot veel vettiger zijn? Waarom mogen dikke mannen wel met hun borsten bloot rond paraderen, maar vrouwen niet? Waarom doet Theo Francken ruig over een man in een jurk, maar niet over een vrouw in een pak?

Er zit geen logica in. Het zijn gewoontes die groeien en veranderen doorheen de tijd, en vaak zijn we al lang vergeten waarom we iets (niet) doen. We doen het gewoon, en dat is normaal voor ons.

 

3. Reza uit Iran

Maar hoe leer je die duizend-en-één gewoontes aan? Cue mijn goede vriend uit de les, die mijn leerlingen van het 5e jaar goed kennen: Reza uit Iran.

Reza is een vriendelijke beginnende veertiger, met een lange borstelige baard die in Iran altijd een djellaba droeg. Hij is een praktiserende sji’itische moslim, en houdt zich zo goed mogelijk aan de waarden van zijn geloof. Maar hij is bang dat zijn drie dochters geen goede toekomst kunnen hebben in Iran, dus hij vlucht weg voor het regime naar België.

In België volgt hij een inburgeringscursus terwijl zijn meisjes naar de OKAN-les gaan. Hij leest het inburgeringsboekje van Geert Bourgeois en ontdekt zo dat Vlamingen graag op tijd vertrekken naar hun werk (Reza vertrok thuis ook altijd op tijd naar zijn werk, hij vindt dat maar een vreemde tip, maar soit), dat je best een paraplu meeneemt want het kan altijd regenen en dat Vlamingen niet op straat leven, maar in hun huis. Hij leest er ook in dat van hem verwacht wordt dat hij aandacht besteed aan de scholing van zijn kinderen. Ook een beetje raar: daarvoor is hij naar hier verhuist, en heeft hij alles wat hij had en was achter zich gelaten. Natuurlijk zal hij daar aandacht voor hebben.

Eindelijk is het tijd voor Reza om zijn dochters in te schrijven op een school. Ze zoeken samen op het internet naar gepaste richtingen met een beetje hulp van hun begeleider, en op de eerste inschrijvingsdag staan ze netjes mee in de rij. Reza weet dat zijn dochters op deze school geen hoofddoek mogen dragen, maar hij vindt hun opleiding erg belangrijk en de school ziet er open en deftig uit. Bij de inschrijving denkt hij echter niet dat het nodig is om hen hun hijab te laten verwijderen, dus ze mogen hem aanhouden van hem. Hij heeft zelf zijn netste kostuum aangetrokken, en zijn baard een beetje getrimd (was volgens zijn dochters toch dringend nodig).

Reza is er helemaal klaar voor. Hij weet uit zijn inburgeringslessen dat Vlamingen het belangrijk vinden dat je de taal kent, en dat je beleefd bent, en dat man en vrouw met evenveel respect behandeld worden. Dus wanneer hij ontvangen wordt door een vriendelijke vrouw die haar hand naar hem uitsteekt om hem te begroeten, spreekt hij haar beleefd aan en stelt zijn dochters aan haar voor vooraleer hij zichzelf voorstelt. Hij wacht zelfs tot alle vrouwen gaan zitten zijn, vooraleer hij zelf plaats neemt. Goed bezig, Reza.

Maar de vrouw is al een pak minder vriendelijk dan ze eerst leek. Ze blijft maar benadrukken dat het een katholieke school is. Ze stelt veel vragen aan de meisjes en negeert hem bijna volledig, wat hij niet eens zo erg zou vinden als de vragen die ze hem stelt niet zo scherp waren: Wij staan geen hoofddoek toe, dat begrijpt u? De zwemles is verplicht, dat begrijpt u?

Bij het vertrek wil ze hem weer een hand geven, maar Reza heeft van jongs af aan geleerd dat een vrouw respect verdient. Een vrouw die niet tot de familie behoort, die raak je niet aan. Reza wil graag tonen dat hij deze vrouw respecteert, dus opnieuw geeft hij haar geen hand maar bedankt haar voor haar tijd en goede zorgen, en zegt dat hij hoopt dat zijn dochters van haar les krijgen. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes, en Reza heeft het gevoel dat hij iets heel ergs fout gedaan heeft. De hand geven, dan maar?

 

Reza maakt één fout in dit voorbeeld, maar het is een cruciale fout: die hand geven is in onze samenleving een symbool geworden van integratie. Een man die een vrouw weigert de hand te geven, die is misogyn, die kijkt neer op vrouwen, die hoort hier niet. Want wij respecteren vrouwen door hen een hand te geven. Oh, we staren ook voortdurend naar hun borsten en billen (iets wat Reza nooit zou doen), nemen hen niet ernstig omdat ze er te mooi uit zien of te hoog spreken (Reza heeft heel aandachtig naar de vrouw geluisterd) en geven hen complimenten die voelen alsof iemand een liter slijm over je uit giet (één van mijn favorieten is nog steeds een vader die op het oudercontact vertelde dat hij met mij een klik voelde die hij nog nooit met een leraar had gehad, want ik was niet alleen een aantrekkelijke vrouw, maar ook nog eens intelligent, terwijl zijn arme dochter naast hem zat).

Reza’s fout is dat hij dezelfde waarde nastreeft, maar een andere norm hanteert. Hij wil zijn respect voor deze vrouw demonstreren, en hij doet dat ook op heel veel verschillende manieren: hij is vriendelijk, hij laat zijn dochters het gesprek domineren, hij wacht om te gaan zitten, hij complimenteert de vrouw op haar capabele professionaliteit…

Maar die hand! Die hand!

 

Stel dat de leerkracht zou gezegd hebben: Meneer, het is eigenlijk de gewoonte in deze streek dat we elkaar een hand geven bij het begroeten. Misschien zou Reza dan wel een hand gegeven hebben. Maar misschien ook niet. Misschien zou hij gezegd hebben: Ik heb geleerd dat uw lichaam van u is, en dat het niet past dat een vreemde man u aanraakt. Misschien zou het misverstand zo uit de weg kunnen zijn. Of misschien ook niet. Reza doet niet normaal. En als hij weigert een hand te geven omdat hij dat nu eenmaal respectloos vindt, dan weigert hij zich aan te passen.

Het maakt ons niet veel uit waarom iemand weigert een bepaalde fatsoensregel te volgen. Denk opnieuw aan de man in de jurk van Theo Francken: het maakt die mensen in de commentaarsectie van HLN niet uit of het geluk of de mentale gezondheid van die man misschien wel afhankelijk is van zijn zelfexpressie, zijn vrijheid om zichzelf te zijn, zijn gelijkheid aan anderen om te dragen wat hij wil. Ze voelen geen solidariteit met hem, want hij is niet normaal.

(Tot zover dus ‘onze normen en waarden’.)

Het incident is klein, maar de gevolgen kunnen groot zijn. Reza’s reputatie als die vader die weigerde een hand te geven zal hem voor gaan. En eerste indrukken zijn heel moeilijk om recht te trekken. Reza is duidelijk een geval van mislukte integratie. Omdat hij simpelweg niet wist dat die hand geven zo ontzettend belangrijk is voor zoveel Vlamingen. Pech voor Reza.

 

4. Diamond uit België

Een tweede voorbeeld. Diamond is in België geboren, als jongste dochter van een Congolese zakenman en zijn Belgisch-Congolese vrouw. Ze heeft twee oudere broers en twee oudere zussen. Diamond heeft het een beetje moeilijk met zichzelf: ze voelt dat ze anders is dan leeftijdsgenoten, omdat ze veel minder mag van haar ouders en de verwachtingen voor haar gedrag veel hoger liggen. Als ze thuis iets fout doet, dan krijgt ze niet alleen een standje van haar ouders, maar ook de broers en zussen dragen bij in haar heropvoeding. Diamonds ouders gebruiken nooit geweld, maar ze straffen heel streng en – waar ze het vooral moeilijk mee heeft – ze spreken hun teleurstelling duidelijk uit.

Op school kan Diamond geen weg met zichzelf. Ze zit in het eerste middelbaar in een overwegende blanke klas, ze voelt dat ze een heleboel achtergrondkennis mist omdat ze thuis voornamelijk Franse televisie kijken, en de leerkrachten behandelen haar ook anders dan de andere leerlingen. Dit frustreert haar, en ze reageert daarop met de onbeleefdheid en agressie die ze thuis niet kan en mag tonen.

Op een dag gaat ze serieus over de grens, en ze beseft dat zelf ook wel. Wanneer de leerkracht haar op het matje roept na de les, wil ze tonen dat ze berouw heeft, dus ze slaat haar ogen neer. Maar dit maakt de leerkracht nog bozer. Kijk naar mij, zegt ze, maar Diamond heeft geleerd dat een ouder persoon recht in de ogen kijken wanneer die boos is, vooral zorgt voor nog meer problemen. Haar ouders interpreteren dat als arrogantie, een gebrek aan spijt, rebellie. Ze worden dan nog bozer. Diamond kijkt dan maar op naar haar leerkracht, maar niet echt naar haar: ze fixeert haar blik naast het oor van haar leerkracht, op de muur. Ze verontschuldigt zich, meermaals, maar ze heeft het gevoel dat er niet naar haar geluisterd wordt. Ze raakt opnieuw gefrustreerd, en loopt dan maar boos het lokaal uit.

 

In West-Europa wordt oogcontact gezien als een manier om de eerlijkheid van de ander te kunnen inschatten. Iemand die ons recht in de ogen kijkt, die staat ook recht in z’n schoenen. Wegkijken of oogcontact vermijden, doet ons vermoeden dat de ander iets te verbergen heeft. Iets dat we uit zijn blik zouden kunnen afleiden. Vandaar dat oogcontact zo belangrijk is in het herstellen van relaties, in het voeren van moeilijke gesprekken.

Maar oogcontact is iets heel moeilijks. Ogen liegen inderdaad heel zelden, en weinig mensen kunnen hun blik voldoende manipuleren om gevoelens te camoufleren. Dit heeft te maken met het vernauwen of verwijden van pupillen, en de kleine spiertjes rond onze oogleden die veel expressief werk doen. Oogcontact is intiem, kwetsbaar. Als je niet bent opgevoed om oogcontact te maken in moeilijke situaties, dan is het extra moeilijk om dat op latere leeftijd te leren.

Diamond heeft geleerd dat oogcontact fout is. Het is logisch dat ze zichzelf niet zomaar kan forceren om dat dan wel te doen, en dan nog in zo’n moeilijke situatie. Ze heeft spijt en ze schaamt zich, gevoelens die we sowieso liever voor onszelf houden. Ze is heel jong en heel kwetsbaar in deze situatie, en ze probeert respect te tonen voor haar leerkracht.

 

Als haar leerkracht zou gezegd hebben Diamond, ik zou graag hebben dat je mij aankijkt, want dat is een teken dat je echt naar mij luistert of zelfs Diamond, waarom vind je het zo moeilijk om mij aan te kijken?, dan zou Diamond misschien kunnen uitleggen waarom ze dat zo moeilijk vindt, en dat ze daar thuis extra voor op haar kop zou krijgen. Het gesprek zou wellicht heel anders verlopen zijn.

Maar Diamond toonde een gebrek aan respect. Boom, gedaan.

 

 

5. Waarom is het integratiediscours belangrijk voor iedereen?

Dit zijn twee kleine voorbeelden. We kennen er allemaal honderden, want we hebben ze allemaal zelf al meegemaakt. Het bleek, bijvoorbeeld, volstrekt not done om boeken te lezen op de speelplaats als jonge tiener. Net zoals het volstrekt not done was om een fris jurkje te dragen dat tot net boven mijn knie viel toen ik in het derde middelbaar zat. Onzedig, volgens de directrice, met mijn vormen. En toen ik huilend de klas weer binnenkwam na dat vernederende gesprek, zei mijn leerkracht Frans: Les fleurs grossissent. Het is ook not done om luidop tegen jezelf te praten in een lege bibliotheek, of soep met kroketjes te vragen op restaurant.

Als bijna veertigjarige blanke middenklassevrouw, met een Vlaemsche naam en Vlaemsch-Hollandse roots, kan ik de meeste reacties op mijn vele sociale faux pas ondertussen wel verdragen. Wat meer is: ik koester de stille rebellie van mijn stationsroman bovenhalen terwijl ik op mijn ouders wacht aan de uitgang van de Carrefour, of van mijn blote armen die lekker blubberen wanneer ik wandel in de zomer, of van mijn grijze ongeverfde haren. Ik heb de luxe en het privilege om niet bang te zijn voor de sociale isolatie die daarop kan volgen.

Maar Reza en Diamond hebben dat privilege niet. Voor hen is het duizend maal moeilijk om in te schatten wat not done is, en de sanctie is veel harder. Niemand kan mij zeggen dat ik terug moet naar mijn eigen land als ik dingen doe die onfatsoenlijk, onbeleefd of abnormaal zijn. Er zijn geen wetten of regels die mijn leven moeilijker kunnen maken, alleen de blikken van vreemden en de opmerkingen van bekenden.

Heel wat politici spinnen garen bij het idee dat vreemdelingen zich niet willen aanpassen aan onze normen en waarden dan ook niet hier behoren. En dat is gevaarlijk voor mensen als Reza en Diamond, maar eigenlijk gewoon voor iedereen.

 

Liberté, egalité, fraternité. Dat zijn “onze” waarden. Dat is wat de overheid moet beschermen. Niet de immer veranderende, van context afhankelijke en onverklaarbare fatsoensregels van het volk.

De vrijheid van godsdienst beschermt elke burger om een levensbeschouwing te ontwikkelen die hen past. Of dat het atheïsme van Maarten Boudry is, de liberale islam van Khalid Benhaddou of het warme humanisme van Dieter Coppens – ieder heeft recht op een eigen visie op de mens, de wereld en het bovennatuurlijke. Ook Reza. Reza’s geloof dat een vrouw eigenaar is van haar eigen lichaam, en dat het niet aan hem is om een vreemde vrouw aan te raken, is even beschermd door de grondwet als het geloof van vele Belgen dat er een bovennatuurlijk superwezen is dat alles ziet en alles weet en desondanks niet ingrijpt, en hun recht om hem te vieren met grote bûches in botercrème en veel te veel schnaps.

De gelijkheid van elke burger, beschermt ons allemaal voor de willekeur van het oordeel van de ander. Diamond mag niet anders behandeld worden dan andere leerlingen omdat ze de enige in de klas is met een kleurtje. Arnaud mag niet anders behandeld worden dan anderen omdat hij nu eenmaal een jurk draagt. Ik mag niet anders behandeld worden dan anderen omdat ik nu eenmaal een beetje te dik ben.

En die broederlijkheid? Die beschermt ons allemaal voor de tirannie van de overheid. Het is onze solidariteit met elkaar als leden van dezelfde samenleving, die maakt dat we machtiger zijn dan de machthebbers. We laten ons met gemak uit elkaar spelen volgens arbitraire lijnen, waardoor we niet als één blok bij elkaar staan. We laten Reza vallen als hoort niet bij ons omdat hij één faux pas maakt, maar wie hoort dan wel bij ons? Niet de man in de jurk, dat is duidelijk. Niet de mensen die het opnemen voor Reza en Arnaud. Niet de vrouw in de hoofddoek. Niet de man die iets teveel afwijkt van wat wij mannelijk noemen.

Broederlijkheid beschermt ons tegen het spook van fascisme. Het debat over integratie, waarbij we met z’n allen vertrekken vanuit het idee dat we allemaal dezelfde normen gebruiken om dezelfde waarden te beschermen en dat mensen die andere normen hanteren automatisch andere waarden hebben, vertrekt vanuit een gebroken samenleving. Het vertrekt niet vanuit een wij, maar vanuit een ‘wij en zij’.

 

Wat meer is: veel van de mensen die in dat integratiediscours meestappen en geloven dat zij die zich anders gedragen niet hier horen omdat ze weigeren zich aan te passen, geloven zelf niet in de waarden van de grondwet. Zij beschouwen Diamond niet als onze gelijke, net omdat ze een etniciteit heeft die zij niet delen, een culturele achtergrond die zij niet kennen. Diamonds status als een burger, is voor hen onbelangrijk. Ze geloven niet dat mensen vrij moeten zijn om hun eigen levensbeschouwing uit te bouwen, want ze zouden liefst Reza de toegang tot burgerschap ontzeggen. Wat meer is: Reza moet zich aanpassen aan hun normen voor hij burger mag worden, terwijl burgerschap net zou betekenen dat hij het recht heeft om iets anders te geloven over hoe je een vrouw respecteert. En ze ervaren vaak alleen broederschap met mensen die op hen lijken en zich zoals hen gedragen, terwijl het hele idee van solidariteit is dat je broederschap ervaart met mensen die niet op jou lijken, en zich niet gedragen zoals jij.

 

6. Conclusie

De moraliteit van een samenleving bestaat uit twee peilers: de wet en het fatsoen. De wet is afgeleid van de grondwet. Bij elke nieuwe wet of regel moet je kunnen uitleggen op welke manier deze wet de waarden van de grondwet beschermt of versterkt. De wet is gemakkelijk te kennen: je koopt jezelf België voor Dummies, en je begint te lezen. De wet is ook afdwingbaar: als je ze breekt, dan word je gestraft door de overheid.

Fatsoen is ongrijpbaar: er zijn duizenden ongeschreven regels, die afhankelijk zijn van de context en de subcultuur waarin je je bevindt. Voor de meeste van die regels is de enige uitleg dat is gewoon hoe we het doen. Er is geen handboek om je die fatsoensregels aan te leren, en de enige manier om te leren of iets mag of niet, is om fouten te maken tegen die regels. Gelukkig is onbeleefd gedrag niet strafbaar, maar het wordt wel sociaal afgestraft: door spot, door correctie of door uitsluiting.

Er is dus wel degelijk één set van waarden waar de overheid naar moet handelen, en die staan in de grondwet. Maar tegelijk beschermt de grondwet het recht van burgers om het niet eens te zijn met de waarden van de grondwet. Zolang je geen vrouwen discrimineert, mag jij geloven dat ze minder waard zijn, bijvoorbeeld. Politici, zoals we eerder al zagen, hebben dat recht niet, toch niet als politicus of als politieke partij.

Maar elke waarde kan je beschermen of realiseren op veel verschillende manieren. Zowel voor- als tegenstanders van euthanasie geloven dat ze het beste voor hebben met de stervende. Een hand geven of geen hand geven, kan evenveel een teken van respect zijn. Fatsoensregels draaien heel vaak rond ongrijpbare concepten als respect en zedelijkheid, dingen die voor iedereen anders zijn.

Het idee dat nieuwkomers of mensen die tot een minderheid behoren zich moet aanpassen vooraleer ze burger kunnen zijn, dat ze zich m.a.w. moeten integreren via de fatsoensnormen van de samenleving, staat haaks op de waarden van de grondwet en negeert het feit dat we geen duidelijke fatsoensnormen hebben.

 

Daarom is ethiek zo belangrijk: ethisch denken vertrekt niet vanuit de vage normen van de samenleving, maar vanuit eigen principes en overtuigingen. Zelf nadenken over wat jij belangrijk vindt, kunnen uitleggen waarom jij dat belangrijk vindt, weten hoe je dat beschermt of realiseert in elke nieuwe situatie… Het vraagt een beetje moed en doorzettingsvermogen, en veel denkwerk, maar het betekent ook dat je bewust probeert het goede te doen. Niet omdat je bang bent voor de spot of uitsluiting van anderen, maar omdat je bewust hebt nagedacht over wat je wil bereiken en hoe je dat wil doen.

Reza en Diamond zijn misschien geen fatsoenlijke mensen, ze doen misschien niet normaal, maar ze zijn wel ethische mensen: ze hebben nagedacht over een situatie en hoe ze zichzelf in die situatie kunnen gedragen om een goed mens te zijn. Maar zolang we ons blijven blind staren op normen en niet het gesprek aangaan over waarden, zullen we daar blind voor blijven, vrees ik.

(En dan kunnen we terug naar blogpost 101, en de jaren ’30.)

 

 

Deze is voor Soukaina, die hier ruim een jaar geleden al naar vroeg, en wiens toets over De Barmhartige Samaritaan één van de hoogtepunten van mijn carrière is.

4 gedachtes over “102. Waarom is integreren in een nieuwe (sub)cultuur zo moeilijk?

  1. Opnieuw heel boeiende lectuur, maar laten we Diamond, Reza en andere mensen die zich proberen te integreren zeker niet behandelen als simpele mensen die niet tot leren in staat zijn. Mijn kinderen van 5 logeren van tijd tot tijd bij oma 1, oma 2, tante, nonkel en die begrijpen zonder moeite dat er op verschillende plaatsen verschillende regels gelden. Ze weten vlug genoeg hoe ze die moeten volgen en hoe ze die kunnen uitbuiten 😄 Reza en Diamond kunnen dit ook, heel zeker van.

    Ook vond ik dat de extremen wel erg uitvergroot worden. Misschien voel ik je tekst verkeerd aan, maar het lijkt wel erg zwart-wit. Fouten tegen onze fatsoensnormen worden afgestraft, er is geen begrip. Zouden wij echt zo weinig begrip hebben voor mensen die hun best doen? Ook ik weet heel goed wat overgewicht is, zowel in mijn jeugd als nu, maar als ik vroeger op school pas na 60 minuten aankwam bij het lopen, terwijl mijn klasgenoten de afstand in 25 minuten aflegden, dan kon ik op begrip rekenen van de leerkracht (en een hoog cijfer). Inzet werd gezien en beloond. Hetzelfde probeer ik te doen met leerlingen die in armoede leven en die thuis niet over hetzelfde materiaal kunnen beschikken als anderen. Wie een fout maakt tegen fatsoensnormen, die laat misschien wel zien dat hij/zij probeert en als je dan hoort dat de norm anders is dan jij gewoon bent, dan is aanpassen gerust wel een mogelijkheid.

    Omgekeerd vind ik ook dat Reza en Diamond mij mogen vertellen wat de normen bij hun zijn als ik op bezoek zou komen, ik mag niet denken dat mijn normen superieur zijn en ik moet me ook aanpassen (en waarschijnlijk ook fouten maken)

    En na een tijdje zie ik de maatschappij en z’n bijhorende fatsoensnormen ook veranderen, onder invloed van Reza en Diamond en anderen en dat is perfect natuurlijk.

    Geheel in de lijn met jouw tekst mag je eigenlijk stellen dat ik mijn respect voor Reza en Diamond op een andere manier laat zien dan jij 😁 gelijke waarde, andere norm 😁

    Ik interpreteer de tekst ook wel als een aanval op mensen met een andere huidskleur. Het doet me allemaal denken aan die spaarpotjes die ze vroeger bij de slager hadden, waarin je dan een centje stak en een Afrikaans kindje dan een dankjewel-beweging maakte. Ik vind het te betuttelend. De Reza of Diamond uit de tekst, al dan niet gebaseerd op echte mensen, vind ik te ééndimensionaal. Zo van: ze hebben een andere manier om dezelfde waarde te tonen en het lukt echt niet om te snappen hoe het hier gebeurt. Ja, ik vind het gevoel van medelijden dat daar precies achtersteekt het tegenovergestelde van het respect dat ik voor ogen heb, want je mag precies geen eisen stellen. Struikelblokken in onze maatschappij zijn er voor iedereen, en ja, voor sommigen zijn er meer of grotere moeilijkheden, maar ik vind het not done om neer te kijken op mensen. Ik vind het ook aanmatigend om te veronderstellen dat als ik een probleem heb dat de maatschappij dan maar op z’n kop gezet moet worden. Wat ik wel redelijk vind is dat er tools worden verschaft om een probleem te overwinnen. Je voorziet een hellend vlak en een lift voor mensen in een rolstoel, je verplicht niet de hele wereld om geen verdiepingen meer te bouwen.

    Like

    1. Dankjewel voor je reactie Rafael. Ik eventjes iets hernemen 🙂

      Ik begrijp niet meteen hoe je mijn tekst begrijpt als ‘we mogen geen verdiepingen meer bouwen’, maar goed, ik neem aan dat dat hypberbolisch bedoeld was. Ik denk dat de misvatting komt uit het idee dat de hele tekst representatief is voor alles wat er over dit onderwerp te zeggen valt, en dat is ze niet, duidelijk. Ik heb er overigens bewust vaak in verwezen naar de man in de jurk en naar mijn eigen overgewicht, net om aan te tonen dat het idee van fatsoen heel breed is en veel mensen sociaal afgestraft worden. Mijn persoonlijke ervaring is dat sociale normen heel beknellend zijn en dat je anderen nodig hebt om jouw perspectief te horen en te begrijpen, zodat jij je eigen pad kan maken. Ik ben zelf queer, dik, heb een aantal beperkende stoornissen en ik ben een bewust alleenstaande en kinderloze vrouw van veertig. Ik bots zelf heel vaak tegen de grenzen van fatsoen en normaliteit, waar ook vaak morele oordelen aan gekoppeld zijn. Dat betekent niet dat al die mensen slechte mensen zijn, of het slecht bedoelen. Maar vaak ontbreekt de stap van communiceren waarom iets vreemd is, of waarom ik iets doe dat vreemd lijkt. En die cruciale stap komt ook in mijn voorbeelden terug. Vandaar dat ik ook niet vind dat de tekst echt zo zwart-wit is, maar ze doet natuurlijk wel de nuances van de werkelijkheid tekort, daar heb je absoluut gelijk in.

      Jij ervaart de perspectieven van Reza en Diamond als betutteld, maar ze zijn ontstaan vanuit interactie en gesprekken met mijn leerlingen. De oud-leerling die naar de tekst vroeg, zei over deze les: “Ik weet nog dat ik dacht: Woow zo simpel uitgelegd. Waarom legt ze het niet de wereld uit. Iedereen gaat het snappen. 😂 mini-me, 5 de middelbaar. Ja ik thuis vol enthousiasme aan men ouders uitleggen. Mama kijk Dat is toch logisch. [Ze had] ook zo een blik in de ogen van eindelijk een leerkracht die het snapt.” Zij is moslima met Noord-Afrikaanse roots. Dat wil niet zeggen dat je deze perspetieven kan veralgemenen, noch dat die analyse voor iedere minderheid even herkenbaar aanvoelt, maar wel dat de mechanismen voor haar herkenbaar zijn. Er is een verschil tussen betuttelen (jij bent te dom om te snappen hoe wij het hier doen) en communiceren, en dat is bij elk voorbeeld de tweede optie.

      Minderheden zijn geen kleuters die manieren moeten leren: elke subcultuur heeft een eigen moraliteit, eigen waarden en normen. Elke individu heeft een eigen ethiek. We staren ons blind op de normen in het integratiedebat en communiceren daarom niet over de waarden. En dat is het punt van de perspectieven: waar loopt het op zo’n moment mis, en hoe kunnen we dat voorkomen. Voor mij betekent een inclusief perspectief: je bent hier, je hoort erbij, punt. En dan gaan we zoeken naar manieren om dat samenleven zo vlot mogelijk te laten lopen, met z’n allen. Integratie blijft hangen in ‘zolang jij niet bent zoals ik, hoor je er niet bij’.

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s