97. Kunnen toelatingsproeven voor het hoger onderwijs ooit democratisch zijn? (En ook: denkt Ben Weyts dat onderwijzen lijkt op pensen draaien?)

0BEN WEYTS

Zoals wel vaker gebeurt, was de aanleiding voor deze blogpost mijn spontane buikgevoelreactie op het programma dat als mijn alarm dient ’s ochtends – Radio 1′s De Ochtend, en meer bepaald de aankondiging van een gesprek met minister Ben Weyts over toelatingsproeven voor alle richtingen in het hoger onderwijs. Niet dat ik dat gesprek beluisterd heb: ik moest vuilniszakken buiten zetten en douchen enzo, en ik heb al jaren een mening over toelatingsproeven voor het hoger onderwijs en die zal niet snel veranderen. Maar omdat ik intellectueel eerlijk probeer te zijn, nam ik me voor om vandaag de tijd te nemen om daar nu eens even zonder buikgevoel over na te denken en de ideeën rond die toelatingsproeven op een rijtje te zetten.

Dat ging niet zoals ik verwachtte: ik stootte op een artikel over de lerarenopleidingen en vond daarin het zaadje van alles wat er over de andere richtingen te zeggen valt. Dus om te beginnen: efkes een detoureke langs mijne côté. Maar ik beloof, op het einde, beschamende anekdotes over de academische carrière van ieders favoriete juf godsdienst. (Ik, dat ben ik.)

 

1. De toelatingsproef voor de lerarenopleiding: een schoolvoorbeeld van hoe er door de huidige coalitie over onderwijs gedacht wordt

In een artikel op de Knack-site van 16 oktober 2019 werd er al bericht over Weyts’ plannen, n.a.v. een parlementaire vraag van Jo Brouns. Toen ging het alleen nog over de lerarenopleiding, maar er zitten wel al sporen in van de argumenten die Weyts zal willen hanteren om bredere proeven op te leggen. Een citaat:

Die piste maakt net deel uit van de ambitie om het statuut van leerkracht op te waarderen.[x]

Er is een lerarentekort, en dat wordt almaar groter. Cijfers van de VDAB toonden in oktober van 2019 een tekort van ca. 1200 mensen (het grootste deel in het secundair onderwijs), een verdubbeling sinds 2014. Er worden verschillende oorzaken gegeven: een vergrijzing van de lerarenpopulatie zorgt voor grote pensioengolven, de economie doet het goed genoeg dat mensen die niet voor leerkracht willen gaan voldoende alternatieven kunnen vinden in de privé, er is een groeiend aantal leerlingen en een dalend aantal studenten leraar en onderwijzer, de anciënniteit van mensen die vanuit de privé instromen wordt maar heel zelden meegenomen, opdrachten zijn vaak deeltijds en het systeem van de vaste benoemingen maakt voor beginners dat werkzekerheid een groot probleem is.[x]

Een artikel uit onderwijstijdschrift Klasse van mei 2019 geeft nog een aantal andere factoren: het aantal jongens in de lerarenopleiding aan de hogeschool blijft ongeveer hetzelfde, het zijn de meisjes die afhaken. Tussen 20 à 50% van alle beginnende leraren stopt na 5 jaar. Er is onvoldoende onderzoek naar waarom dit gebeurt volgens Geert Kelchtermans, hoofd van het Centrum voor Onderwijsvernieuwing en de Ontwikkeling van Leraar en School van de KU Leuven, die ook observeert dat structurele tekorten niet kunnen nadat er al 30 jaar druk gedaan wordt over dat lerarentekort. Er wordt ook aangehaald dat 39% van de ziektedagen in het onderwijs opgenomen worden voor psychosociale klachten zoals burn-out en stress.

In een opiniestuk dat in mijn kringen alleszins viraal ging begin september 2019 schrijft wiskundeleraar Marc Vandepitte ook over de aantrekkelijkheid van het beroep. Hij noteert o.a. dit:

Met mijn master wiskunde verdien ik op het einde van mijn schoolloopbaan ongeveer 3.000 euro netto. Het salaris van de studiegenoten met wie ik afstudeerde en die in de privé werken ligt tussen de 4.000 en 6.000 euro netto. Daarnaast kunnen zij nog rekenen op een salariswagen, tankkaart, hospitalisatieverzekering, aanvullend bedrijfspensioen, laptop en smartphone. Geen wonder dat men geen leraars wiskunde meer vindt voor de hogere jaren in het secundair onderwijs.

… [Ons] land [komt] slechts op de 9de plaats komt als het gaat over het percentage van de nationale rijkdom die besteed wordt aan onderwijs. Als percentage van het overheidsbudget komen we zelfs maar op de 19de plaats. Wat hij er ook niet bij vertelt is dat in Vlaanderen sinds 2010 de middelen voor onderwijs in verhouding tot het bruto regionaal product met 7 procent gedaald zijn, terwijl de schoolbevolking in die periode met 10 procent gestegen is. Willen we een meer excellerend onderwijs, dan zullen er meer middelen moeten ingezet worden.

En dan is er de werkdruk. Volgens het tijdsbestedingsonderzoek dat minister Crevits vorig jaar bestelde, kloppen leraren tijdens het schooljaar tot 50 uur per week. Over heel het jaar is dat gemiddeld 41 uur per week, vakanties meegerekend. Maar niet alleen het aantal uren weegt, ook de intensiteit telt mee. Het lesgeven zelf is een pak moeilijker en lastiger geworden omdat de klassen heterogener zijn, de leerlingen en de ouders mondiger, en het aantal leerlingen met specifieke zorgnoden sterk gestegen is. [x]

In het eerder genoemde artikel van Klasse worden een aantal mogelijke oplossingen voor het lerarentekort op een rijtje gezet:

  • meer inzetten op zij-instromers in de lerarenopleiding (dit zijn mensen die na een eerdere opleiding nog een tweede bachelor halen als leraar);
  • extra inspanningen leveren voor risicostudenten in de opleidingen zoals mensen met een migratieachtergrond, een fysieke beperking of een leerstoornis, of mensen met een beroepsopleiding;
  • de job van leraar correct presenteren, dus niet als een vlakke carrière van lesgeven, maar als een dynamische carrière waarbij een leraar verschillende functies heeft binnen de school (van leraar en mentor voor leerlingen, over specialist in bv. tweede taal of vertrouwensfiguur, tot aanstuurder van werkgroepen of coördinator);
  • hybride lerarenposities, waarbij iemand een job in de privé of als zelfstandige gemakkelijker en zonder inkomensverlies kan combineren met een deeltijdse opdracht in het onderwijs;
  • initiatieven zoals Teach For Belgium, waarbij actief op zoek gegaan wordt naar mensen met een bepaald profiel om een bepaald tekort in te vullen, in plaats van te wachten tot iemand vacatures beantwoordt;
  • andere manieren om onderwijs te organiseren zoals co-teaching en teamteaching, zelfstuderend leren, flipped classroom, e.d.
  • de interne organisatie van het lerarenteam in de school versterken.

 

Ik zet dit allemaal op een rijtje om even te illustreren dat er in Vlaanderen goed nagedacht wordt over dat lerarentekort, en dat de aantrekkelijkheid van de job effectief een factor is volgens die mensen die goed nadenken. Alleen: niemand van hen wijst daarvoor met de vinger naar de kwaliteit van de instromers in de lerarenopleiding. En toch is dat Ben Weyts’ eerste antwoord op het probleem. Vreemd, toch?

Nee, eigenlijk niet. Het controleren van de instroom zorgt niet voor een hogere kwaliteit aan uitstroom, tenzij je de hogescholen en universiteiten beloont voor het aantal uitstromers en niet voor de kwaliteit die ze afleveren. Als je instellingen goed subsidieert en voldoende werkingsmiddelen geeft, dan kunnen ze het beste uit hun studenten halen. Maar dat kost geld. En, zoals Mac Vandepitte al opmerkte, onze Vlaamse overheid steekt liefst niet teveel geld in haar belangrijkste grondstof, nl. onderwijs. Alle andere aangehaalde oplossingen kosten geld. Maar zo’n toelatingsproef met een pakket zelfstudie om te remediëren? Dat kost bijna niks.

En er zit ook een belangrijk misverstand over wat onderwijs doet en behoort te doen achter. Ben Weyts ziet, zoals heel veel mensen, de lerarenopleiding als een pensenmolen: de kwaliteit van de pens die er aan het einde uit komt is grotendeels afhankelijk van de kwaliteit van het vlees dat je er in propt. Maar een onderwijsinstelling vermaalt haar studenten niet om in een bepaalde vorm, bv. die van leraar, te passen: een onderwijsinstelling biedt haar studenten de mogelijkheden om bij te leren over een bepaald wetenschappelijk domein (dat is dan vooral ASO en universitair onderwijs) of zich te specialiseren in de kennis vereist voor een bepaalde beroepssector. Vandaar dat de uitstroom van filosofie niet alleen resulteert in Maarten Boudry, Jan Leyers, Leni Francken, Matthias Somers en Hugo Mathysen, maar ook in mijzelf. Elk van ons is aan de opleiding begonnen als een individu, en elk van ons heeft de aangeboden leerstof verwerkt als een individu. Daarin zit net de kracht van onderwijs.

De casus van de lerarenopleiding leert ons dus een aantal dingen: Ben Weyts verwart onderwijs met een pensendraaier, en van alle oplossingen die gesuggereerd worden voor een bepaald probleem selecteert hij de goedkoopste die ook nog eens centjes bespaart, want: minder ‘slechte’ studenten die beginnen, is minder weggegooid geld.

 

 

2. De toelatingsproef voor alle richtingen: van de bloementuin naar een cactus in een pot

Vandaag dan, en het voorstel van de toelatingsproef. Wat houdt dit voorstel precies in?

“Ik zou graag toelatingsproeven invoeren voor het hele hoger onderwijs, voor alle opleidingen”, zei minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA). Hij deed dat in de commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement. “Wat mij betreft, moeten er aan die toelatingsproeven ook bindende gevolgen worden verbonden.”

Die bindende gevolgen zijn geen kwestie van alles of niets, licht Weyts toe. Hij wil geen algemene toelatingsproef, zoals bij de geneeskunde. Met andere woorden: wie niet slaagt, kan toch nog starten met de opleiding. Wel wil Weyts verplichte remediëring en bijscholing. “Als er tekortkomingen zijn voor een student met zijn opleiding begint, dan moeten die geremedieerd worden”, zegt Weyts. “Minstens in het eerste jaar. Anders zijn die ijkingsproeven natuurlijk een maat voor niets.” [x]

Mmm… dat is niet echt leerrijk. Lekker vaag, moet ik Jean-Jacques De Gucht bijtreden. Een proef met bindende gevolgen maar je mag toch starten. Je moet wel extra remediëren en bijscholing krijgen, maar wie dat gaat doen en vooral wie dat moet betalen (de student zelf?) wordt niet gezegd…

 

Een beetje verder zoeken dan. Op de site van de N-VA zelf vind ik dit:

“We willen studenten helpen om snel de juiste studie en opleiding te vinden, zodat ze verloren studiejaren vermijden”, stelt Vlaams minister voor Onderwijs Ben Weyts. In de Ochtend gaf hij meer uitleg over de verruiming van toelatingsproeven voor wie een opleiding wil volgen in het hoger onderwijs.

Voor enkele opleidingen in het hoger onderwijs, zoals dierengeneeskunde, bestaan reeds toelatingsproeven. Vlaams minister Ben Weyts wil deze toelatingsproeven verruimen en er duidelijke gevolgen aan verbinden. Dit is nodig om een goede studiekeuze te maken. Op dit ogenblik zijn bestaande ijkingsproeven nog te vrijblijvend. “Je kan een grote smiley op je toelatingsproef zetten of je uiterste best doen en 100 procent halen: dat maakt momenteel geen verschil”, bemerkt Weyts.

Een toelatingsproef met duidelijke gevolgen is in het belang van studenten. Bij een goede toelatingsproef kunnen studenten bijvoorbeeld vrijstellingen op enkele studiepunten bekomen. Bij slechte resultaten kan er remediërend gewerkt worden. Zo denkt Weyts aan een zomercursus om de student de kans te geven om tegemoet te komen aan bepaalde achterstanden. [x]

Ah, minder vaag: het gaat om het verminderen van het aantal ‘verloren studiejaren’ door een snellere correcte oriëntatie. Er moeten gevolgen aan zijn, want anders haalt het aan uit – niet: de gevolgen (heroriëntering, remediëren en bijscholing) zijn het uiteindelijke doel en om de mensen die daar nood aan hebben te vinden, doen we de proef. Nee, we doen de gevolgen als stok achter de deur om de proef sneller tot heroriëntering te laten leiden.

De spreekwoordelijke beloning is een vrijstelling voor een aantal studiepunten. Wat betekent dat? Moet je dan niet alle basisvakken volgen, of mag je dan keuzevakken laten vallen? Betekent dit ook dat je voor die studiepunten niet hoeft te betalen, en dat verder studeren de facto goedkoper zal zijn voor goede starters dan voor slechte starters. Eén van de manieren waarop geremedieerd kan worden is een zomercursus. Yup. ’t Is niet dat de studenten die van moetens hun eigen inschrijvingsgeld betalen die zomers niet nodig hebben om, ik zeg maar iets, dat geld te verdienen.

 

In het interview tijdens De Ochtend dat ik miste, zegt Weyts o.a. dit:

 

We zouden [de bestaande proeven] graag uitbreiden omdat we een beetje minder vrijheid, blijheid willen, ik doe maar wat… [We] willen vooral dat zo’n studiekeuze, dat die weloverwogen worden gemaakt. [x]

Op welke cijfers baseert Weyts zich om er van uit te gaan dat studenten die een ‘verkeerde’ keuze maken, dat doen uit ‘vrijheid, blijheid’ en niet weloverwogen? En welke sociale klasse in ons land kan zich permitteren om zo’n keuze te maken zonder die te overwegen? Wie zijn die studenten waar Weyts het over heeft? Heeft hij überhaupt bewijs dat ze bestaan, en dat als ze bestaan ‘remediëren’ een stok achter de deur zou zijn voor hen?

 

De interviewer merkt ook op dat toelatingsproeven e.d. suggereren dat ons middelbaar onderwijs onvoldoende voorbereidt op hoger onderwijs. Antwoord van Ben Weyts:

Nee, dat heeft daar eigenlijk niets mee te maken, ‘t is gewoon een kwestie van de goede keuzes te maken en die weloverwogen te maken, niet zomaar aan een opleiding te beginnen en zeggen van ‘Och, we zullen wel zien, ik doe maar wat’. Nee, dat je op basis van die toelatingsproef dat je jezelf een spiegel wordt voorgehouden om te zien van ‘Ja, maak ik kans om die opleiding te volgen en die met vrucht af te leggen?’ Want anders heeft het geen zin. [x]

Eerst een vooral: dit is hoe onze minister van Onderwijs spreekt. Iemand heeft niet goed opgelet in de les Nederlands.

Maar bon, dat is kleinzielig van mij: het grotere punt is dat de interviewer gelijk heeft. Als er iets mis is met de instroom, dan is de focus leggen op de individuele keuze van de student de gemakkelijkste oplossing. Maar als leraar in het middelbaar onderwijs denk ik dat ik niet alleen voor mijzelf spreek als ik stel dat onze leerlingen inderdaad niet klaar zijn voor verder gezet onderwijs in een 6e jaar.  Aangepaste leerplannen voor taal, een grotere nadruk op attitudes en vaardigheden, inclusief onderwijs waarop niet verder wordt gebouwd in het hoger… Er zijn heel veel factoren die maken dat de overstap van een 6e (of 7e) jaar middelbaar naar verdergezet onderwijs niet evident is. Maar: ons onderwijs gaat achteruit. En zo wordt dit gemeten.

Ben Weyts gooit dit van tafel omdat het een groter structureel probleem is, waarbij de overheid gedegen onderzoek moet doen en met meer moet afkomen dan ‘we willen kwaliteit bieden’ in het regeerakkoord om dit op te lossen.

En ik ben niet de enige die dat zegt. In 2014 schreef Bram Spruyt:

Het idee een toelatingsproef in te stellen is interessant maar ook vreemd. Een secundair onderwijs zou oriënterend moeten werken en zo’n oriëntatie- of toelatingsproef overbodig moeten maken. Los daarvan zal de realisatie van zo’n toelatings/oriëntatieproef ons veel leren over ons eigen Vlaams onderwijs. Het wordt bijvoorbeeld buitengewoon boeiend te kijken wat precies getoetst zal worden. Onvermijdelijk dringt zich daarbij de keuze op tussen hetzij een meer algemene toets die gebruikt kan worden om een relatief groot aantal studiegebieden (bv humane wetenschappen, exacte wetenschappen,…) af te dekken, hetzij een groter aantal kleine testen die ook onderscheid kunnen maken tussen studierichtingen binnen studiegebieden.

Kiest men voor de eerste optie, dan zal deze test vooral algemene vaardigheden en kennis toetsen. Wat die algemene vaardigheden en kennis precies zijn, introduceert de facto een hiërarchie tussen basis- en andere vakken. Als men daar op doordenkt, komt men al snel tot de vraag waarom dat onderscheid in het secundair onderwijs niet gemaakt wordt. We gaan toch geen toelatingsproef voor het hoger onderwijs organiseren die los staat van het secundair onderwijs dat de kandidaten daarvoor moet leveren? Het onderscheiden van basis- en andere vakken in het secundair kan nuttig zijn omdat we dan voor zwakkere leerlingen de differentiatie-uren kunnen gebruiken om hun beheersing van de basisvakken te verhogen. Het impliceert uiteraard wel dat het discours van de gelijkheid van richtingen dan definitief dient te worden afgevoerd. Het is bij dit eerste scenario ook niet duidelijk waarom een veel gehoord argument tegen een algemeen eindexamen aan het einde van het secundair onderwijs – scholen zullen zich vooral toeleggen op die vaardigheden die getoetst worden, zogenaamd teaching to the test – plots niet opgaat voor deze toelatingsproeven.

In het geval van meer specifieke toelatingsproeven, rijst vooral de vraag ‘waarom een toelatingsproef?’ Het groot aantal richtingen in het secundair stemt overeen met een groot aantal verschillende eindtermen. Dat zijn doelstellingen die leerlingen behaald moeten hebben op het einde van hun studie. In plaats van meer specifieke toelatingsproeven zouden die eindtermen eenvoudig als richtsnoer gebruikt kunnen worden om een advies aan leerlingen te geven. Dat zou tenminste het voordeel hebben dat leerlingen in het secundair onderwijs weten wat de gevolgen van hun studiekeuze zijn. Het zou immers ethisch ronduit verwerpelijk zijn om voor het secundair onderwijs een discours van ‘exploreer je talenten, later kan je nog altijd kiezen’ te blijven aanhouden en vervolgens bepaalde richtingen genadeloos af te straffen bij een toelatingsproef voor het hoger onderwijs. De eindtermen als uitgangspunt nemen, impliceert echter dat we zeker moeten zijn dat de leerlingen die in een studierichting afstuderen die eindtermen weldegelijk bereikt hebben. En mogelijk knelt het schoentje daar nog het hardst. We weten namelijk dat dat niet altijd het geval is. Bij de laatste peilingstoetsen voor Project Algemene Vakken (PAV), bijvoorbeeld, bleek dat nog geen 40% van de leerlingen uit de derde graad beroepsonderwijs de eindtermen voor wiskunde en leesvaardigheden bereikt. De vaststelling dat dat in andere landen ook het geval is, verzacht weinig. Een deel van onze jongeren bezit niet de kennis en vaardigheden die ze volgens hun diploma of getuigschrift wel zouden moeten bezitten. Een toelatingsproef wordt dan de symptoombestrijding van een probleem in het secundair onderwijs. Een toelatingsproef wordt dan niet meer of minder dan de geïnstitutionaliseerde bekentenis dat we ons secundair onderwijs niet meer onder controle hebben of daar de verkeerde signalen hebben gegeven aan de leerlingen. [x]

 

Vervolgens vraagt de man van De Ochtend (Xavier Taveirne, ik heb het opgezocht omdat ik het zo onrespectvol vond om hem ‘de man van De Ochtend’ te noemen, maar nu laat ik het toch gewoon staan want het klinkt wel grappig) of dit het gevolg is van het doorschieten van de democratisering van het onderwijs: ‘iedereen zoveel mogelijk kansen geven om verder te studeren’. Daarop antwoordt Ben Weyts:

’t Is misschien een beetje teveel vrijheid, blijheid. Je moet er toch voor zorgen dat iedereen de juiste opleiding gaat volgen en het gaat hem niet alleen over het gegeven dat zulke opleidingen dat die duur zijn voor de samenleving, voor de belastingbetaler, maar ook en vooral dat je de student naar die opleiding geleidt die voor hem haalbaar is en voor hem uiteindelijk, of haar, de beste opleiding is. [x]

Als het probleem NIET de centjes is, wat is het dan wel? Welke schade berokkent een student die twee jaar langer doet over een opleiding, of die na een jaar een andere richting uit moet, aan zichzelf of aan de samenleving waarvoor een minister van onderwijs in actie moet schieten, als het niet de kost van zo’n ‘verloren jaar’ is? De waarheid is dat er geen andere maatschappelijke schade is. Is het pijnlijk voor een mens om te falen? Ja. Maar leren falen is belangrijk, en als die andere minister  deftig zou investeren in mentale gezondheidszorg in plaats van te besparen daarop, dan is er geen reden voor de minister van onderwijs om zich over de mogelijke individuele gevolgen van zo’n falen veel zorgen te maken.

Het gaat over geld. Laat u niks anders wijs maken: al die zinnen over ‘vrijheid, blijheid’ dienen om studenten met verloren jaren of die moeten heroriënteren te demoniseren als onbezonnen jongelingen, fuifbeesten, verbrassers van uw en mijn belastingsgeld (zie paragraaf 3 voor een weerlegging hiervan).

 

Verder weet Weyts nog te vertellen dat het stapsgewijs zal uitgerold worden, gebaseerd zal zijn op wetenschappelijk onderzoek en dat het natuurlijk zal beginnen met de exact wetenschappelijke richtingen, want dat is gemakkelijker om daarvoor proeven uit te werken. [x]

Dit toont in welke richting de proeven zullen gaan: het zullen inhoudelijke proeven worden van basiskennis en basisvaardigheden. Maar is dat dan eerlijk? Is het niet de bedoeling van onderwijs dat je bijleert? Hoeveel moet je op voorhand al kennen van de te kennen leerstof? Welke basis is een redelijke basis?

Wat meer is: er is al Vlaams onderzoek naar de impact van zo’n proeven. De Universiteit van Hasselt deed zo’n onderzoek, en hun conclusie was:

[T]oelatingsproeven aan de poort van de universiteit zijn bedroevend inefficiënt, erg onbetrouwbaar en in de praktijk dus onbruikbaar.

Je kan een overzicht van de resultaten hierlezen, in een speech van de rector n.a.v. een vorig regeerakkoord en een vorige besparingsronde.

De VLIR (Vlaamse Interuniversitaire Raad) kwam tot eenzelfde conclusie vanuit de bestaande toelatingsproeven voor ingenieurs.

Parlementslid Brecht Warnez verwijst naar een rapport van de VLIR (Vlaamse Interuniversitaire Raad) over de (verplichte) ijkinstoetsen in de bachelors burgerlijk ingenieur en burgerlijk ingenieur-architect. Uit dat rapport blijkt volgens Warnez niet alleen dat de score op de toets samenhangt met het studiesucces, maar ook dat de toets toch “niet feilloos” is.

“Ongeveer de helft van de deelnemers met een lage score op een ijkingstoets behaalt toch het diploma (op 4 jaar)”, klinkt het. De VLIR vraagt daarom om de validiteit van de toetsen nauwgezet op te volgen. [x]

 

En er komt nog een bedenking bij: wie is gevoelig voor de wortel en de stok? Het reële risico bestaat dat het voor kwetsbare studenten en kansarme studenten een veel effectiever afschrikkingsmiddel zal blijken dan voor… wel, laten we een kat een kat noemen: welgestelde blanke jonge mannen met een Vlaamse naam.

Een rapport van de Vlaamse Interuniversitaire Raad (Vlir) toonde eerder al aan dat de verplichte ijkingstoets in de ingenieurs- en architectenopleiding vrouwen uitsluit van de richting’, zegt Vlaams Parlementslid Hannelore Goeman in een schriftelijke reactie. ‘Vrouwen schrijven minder vaak dan mannen in voor de opleiding burgerlijk ingenieur na het behalen van een lage ijkingstoetsscore: 54.9 procent van de vrouwen start niet aan de opleiding na een lage score versus 39.9 procent van de mannen.’ Goeman verwijst zo naar het risico op een ontradend effect, dat groter blijkt bij vrouwen dan bij mannen. [x]

 

Een nieuwe metafoor dringt zich op: stel je voor dat je een bloementuin wil maken maar je hebt geen zin om rijen tulpen te gaan planten. Wat doe je dan? Dan koop je zo’n zakje met zaadjes. Je harkt een beetje waar je je perkje wil hebben en je strooit je zaadjes uit, en dan hoop je dat de zon en de aarde de rest doen. En de zaadjes zelf, natuurlijk. En in het beste geval komen die zaadjes uit, en zijn de meeste ervan ook nog eens prachtig bloeiende bloemen. (Een snelle google leert mij dat het heel erg afhangt van soort tot soort hoeveel procent van je zaadjes effectief ontkiemen, en dat dit tussen de 50 à 95% kan zijn.)

Wat Ben Weyts wil, is een betere return on investment. Hij wil de zaadjes op voorhand testen om te checken of ze wel goed gaan ontkiemen in deze bepaalde grond. Maar hier is het probleem: je kan dat alleen testen door te zaaien. En dan nog zijn de omstandigheden relevant: of het waait, of het snel regent, of er beestjes kaka komen doen in je perkje (heel goed voor de zaadjes), of er veel zon schijn of teveel zon… Allemaal externe factoren waar je je een beetje op kan voorbereiden maar nooit helemaal. In een slecht jaar haal je misschien niet eens die 50%.

Wat Ben Weyts wil, is een cactus: ge koopt dat in ne pot, ge geeft dat af en toe eens water, en boem. Amper kapot te krijgen (pas op: ik heb een cactus kapot gekregen, dus het kan, maar toen was ik nog geen goede plantenmama). Hij wil de schoonheid van een bloemenperkje met de voorspelbaarheid van een cactus. En Ben? That shit ain’t happening.

 

3. Mijn academisch parcours: absoluut geen cactus, en toch een goeie pens

Allé, een casus. Of, zoals mijn leerlingen het fenomeen kennen: tijd voor verhalen uit het leven van mevrouw Verhelst.

Mijn academische carrière is niet gelopen zoals ze had moeten lopen. Ik heb een aantal keuzes gemaakt die in de modellen van mensen als Weyts zouden aangevinkt zijn als ‘foute keuzes’.

 

Ons verhaal begint in het zesde leerjaar, waar een constante 90+ op het rapport van kleine Elke stond. Kleine Elke was redelijk vlijtig, maar niks in vergelijking met kleine De Zus, en ging graag naar school. Maar één ding stond vast: kleine Elke ging geen Latijn doen. Dat was woordjes vanbuiten leren, niet bijleren. Dingen uit het hoofd leren, vooral verkeer, vond ik altijd vreselijk saai. Nochtans was ik het soort kind dat voor haar plezier de encyclopedie las en het woordenboek en zelfs – als er niks anders voor handen was – de broodzak.

Ik had het in mijn hoofd gehaald dat ik secretaresse zou worden zodat ik bij mijn vader op een bureau kon werken, dat leek me een fijne job. Dus ik ging, tegen het advies van het CLB in, moderne doen met als keuzevak handel. Dat advies was Grieks-Latijn, btw. Andere ouders zouden hun kind al lang in die Latijnse gepropt hebben, en als leerkracht heb ik een hernieuwde appreciatie voor mijn ouders en hun voorkeur om onze instincten te volgen. Van hen mocht ik mijn ding doen.

Was ik Grieks-Latijn gaan doen, dan had ik wellicht moeten leren leren. Ik zou wellicht naar het College gegaan zijn, of de Ursulinen, in plaats van naar de toen reeds superdiverse Ham in Mechelen. Ik zou nooit Michou ontmoet hebben, Horijah, Erika, Nele, Sara, Elke, Kirsten, Debbie, Karen, Véronique… Zou ik ooit beginnen rebelleren zijn, halverwege, in een 4 economie-moderne talen dat bestond uit onderpresteerders en een handvol harde werkers die er vaak net niet geraakten? Zouden mijn klasgenoten mijn geaardheid met evenveel aplomb aanvaard hebben? Ik zou alleszins niet voor een schoolkrant gaan schrijven zijn, want dat kwam door meneer Van de Putte; of in een koor gestapt zijn want dat kwam door mevrouw Goossens.

 

Ik zou nooit mijn volgende keuze gemaakt hebben. In het derde middelbaar had ik als leraar Engels Raf Sneijers, en door hem heb ik besloten dat ik leraar wilde worden. Hij was een hele goede leraar, en zijn houding was heel erg: ga loos. Ik kleurde voortdurend buiten de lijntjes, maar in plaats van daarvoor punten af te trekken of mij op het matje te roepen, moedigde hij me net aan. Hij was streng en een beetje akelig in zijn afstandelijkheid, maar zijn houding was een contrast met veel van mijn andere leerkrachten, en het gaf me het idee dat ik dit wel wilde doen voor anderen.

Het was Herman Frooninckx die me op het spoor van filosofie zette, met zijn niet-aflatende vertrouwen in elke leerling en die keer dat hij Levinas’ filosofie uitlegde op het joods kerkhof in Praag. Hij vergeleek mijn rare asociale gedrag met de filosoof uit de grotallegorie van Plato: een overdreven groot compliment dat ik pas jaren later begreep, toen ik uiteindelijk filosofie ging doen.

Ook op het einde van het zesde kregen we een advies van het CLB. Dit keer was er een intelligentietest waar ik heel hoog op scoorde en een zelftest waarbij je moest zeggen hoe je studeerde en waarop ik natuurlijk door mijn tanden gelogen heb tot ze eruit vielen. Ik moest absoluut universiteit gaan doen, was het advies.

Eén van mijn klasgenoten, laten we haar Ava noemen, was minder gelukkig: misschien hogeschool? Maar we geven je niet veel slaagkansen… Nochtans werkte ze 10 keer harder dan ik, en was ze zonder meer briljant. Het leverde een kleine crisis op voor haar: ze kwam uit een groot gezin dat het niet super breed had, dus verder studeren was financieel risicovol. (Ze is nu academica, dus fuck het CLB.)

 

Elke trok naar het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte. Dit was de MINST weloverwogen en doordachte beslissing OOIT. Ik had even goed darts naar een folder van de KUL kunnen gooien. Ik wilde eigenlijk nog steeds leraar worden, zoals Raf Sneijers (en Rita Geens, en Herman Frooninckx, en Dirk Van de Putte) en het leek me dat ik alleen goed was in dingen met boeken dus Germaanse lag voor de hand. Maar er zitten veel mensen in Germaanse, en asociaal kind als ik was, was ik er van overtuigd dat ik nooit vrienden zou maken in een aula met 500 man. Filosofie was een kleine richting en dat was ook met boeken, toch? Ik ben geen enkele les gaan volgen, niet naar de infodag gegaan, ik heb hoogstens een babbel gehad met het toenmalige lief van een vriendin die dat ook aan het doen was. Het contrast met de intense voorbereiding die onze leerlingen vandaag op school hebben, kan niet groter zijn.

In de folder stond dat je Frans en Engels moest kunnen, maar geen Grieks of Latijn vereist was.

Tijdens mijn eerste les, I kid you not, schreef toen nog niet wijlen professor Jos Decorte to ontos on op het bord IN GRIEKSE LETTERS. Ik wist na die eerste week twee dingen: ik zou dit NOOIT kunnen, en ik WILDE dit kunnen.

 

Maar Elke had nooit geleerd in het middelbaar. Mijn punten waren gegaan van altijd 90+ in het lager naar afstuderen ‘met leemte’ in het 6e middelbaar. Ik behaalde hoge scores op taken en dingen die ik interessant vond, en deed mijn boek niet open voor de andere vakken. Ik wist hoe ik goede nota’s kon nemen en ik onthield goed uit de les, maar dat was het dan ook. En dat was niet voldoende om dingen als predikatenlogica of het zijn van het Zijn te doorworstelen, bleek al snel. Laat staan om 555 kunstwerken uit de Nieuwe Tijd uit het hoofd te kennen. (Don’t ask: filosofen mochten doen de meest bizarre keuzevakken selecteren, waardoor ik zowel Geschiedenis van de Nederlanden als Muziekgeschiedenis op mijn palmares heb staan).

Ik haalde uiteindelijk niet eens 40% – ik ging van 37 naar 32; met een spectaculaire evolutie voor logica: van 4 op 20 naar 2 op 20.

 

Blijven zitten is het beste en het meest vreselijke dat mij ooit overkomen is – ik ben een zondagskind, dat merkt u. Het trauma van mislukking draaft nog steeds door mijn hoofd: gaan van iemand die onzeker was over veel dingen maar niet over haar intelligentie en haar capaciteiten op school naar iemand tegen wie vriendelijk gezegd werd dat ze misschien te dom was voor deze richting, was heel erg pijnlijk en vernederend. Maar tegelijk leerde ik mijn beste vriendinnetjes kennen in dat jaar, en leerde ik – met veel vallen en opstaan – eindelijk studeren.

Ik heb er uiteindelijk zes jaar over gedaan. Mijn promotorgaf me een 15 voor mijn thesis: een overwinning op de Elke die in het eerste jaar routineus nullen ging vragen op mondelinge proefwerken omdat ze niet wist hoe Thomas van Aquino van andere middeleeuwse tonsuurdragers te onderscheiden.

Ik heb nog drie jaar bijgedaan toen ik al aan de slag was, om het certificaat voor godsdienstleerkracht te behalen. Dat was geen sinecure, maar ik was gedreven en ik kon nog steeds heel goed noteren en onthouden uit de les. Ik behaalde belachelijk hoge cijfers, wellicht omdat ik als filosofe enorm veel voorkennis had en mij er gigantisch goed kun uitlullen wanneer nodig.

Mijn eigen parcours maakt dat ik voeling heb met leerlingen die anderen als vervelend of lui ervaren, omdat ik zelf zo was. Ik begrijp verveling en baldadig gedrag wanneer er te weinig van jou verwacht wordt. Ik begrijp negatieve faalangst. Ik kan leerlingen bereiken die voor anderen soms onbereikbaar lijken. Omgekeerd heb ik het soms heel moeilijk met heel brave leerlingen, met vlijtige werkers. Die liggen mijlenver van mij. Diversiteit in het lerarenkorps is niet alleen diversiteit op vlak van gender, herkomst en mogelijkheid, maar ook diversiteit in de eigen schoolloopbaan. Sommige collega’s zijn uitstekend met de overachievers, de hele brave suskes, of de meisjes met teveel lipstick waar ik kriebels van krijg. We hebben elk een eigen parcours en dat parcours informeert hoe we onze job uitvoeren.

 

Hier zijn een paar vragen om nu zelf eens over na te denken. Was ik een verbrasser, een onbezonnen jongeling, een wild fuifbeest? Wat voor soort toelatingsproef zou mij voorgeschoteld zijn geweest? Zou ik geslaagd zijn op zo’n test? Zou die test ervoor kunnen zorgen hebben dat ik mijn studies op 4 jaar had afgelegd in plaats van op zes jaar? En vooral:  zou dat beter geweest zijn voor de maatschappij?

Wat Ben Weyts omschrijft als ‘verloren jaren’, zijn de beste, meest cruciale jaren van mijn leven. Wat hij omschrijft als ‘vrijheid, blijheid’ was mijn slechte voorbereiding in het middelbaar gepaard met faalangst en uitstelgedrag. En hoe zou hij mij geremedieerd hebben? Hoe school je iemand bij in leren leren als die persoon 18 is?

Ben Weyts denkt dat er iets mis was met het vlees dat in mijn pens gedraaid is, maar dat is kortzichtig: het vlees was goed, het moest gewoon wat langer verhakseld worden. Het bewijs daarvan is dat deze pens bijzonder sappig en kruidig is. Ben Weyts denkt dat een veld van cactussen beter zou geweest zijn om de eerste kandidatuur wijsbegeerte in 1998-1999 mee te bevolken, maar dan had er 10 man gezeten in plaats van 100. En ik zou daar niet bij geweest zijn. En nochtans ben ik, dat heb ik toch al af en toe bewezen op deze blog, geen slechte filosofe.

 

Mijn ouders geloofden in mij ondanks mijn slechte cijfers en mijn algehele moody goth girl vibe. Ze vertrouwden op mijn instincten, ook toen ik niet door mijn tweede jaar gesukkeld geraakte in één keer. Ik kon pendelen want ik woonde dicht genoeg bij Leuven om dat te doen, en ik werkte elk jaar om mijn eigen inschrijvingsgeld te betalen – mijn ouders zijn bij die gelukkige mensen die net teveel verdienden voor een beurs maar te weinig om alle drie de kinderen comfortabel school te laten lopen tegelijk. Ik was heel taalvaardig, en mijn psychische problemen waren niet zo’n grote hinderpaal dat ik niet voldoende kon compenseren.

Wat als ik een kansarm kind was geweest, een kind wiens ouders niet voldoende thuis zijn in het schoolse systeem om het te helpen of te vertrouwen? Wat als ik een taalarm kind was, een kind wiens tweede of derde taal Nederlands is? Wat als ik fysiek beperkt was en thuis geen ondersteuning kreeg daarvoor, of mijn rare angststoornis ASS was? Wat als ik dan zo’n test voor mijn neus had gekregen?

Laat u niet misleiden door de democratisering van het onderwijs is doorgeslagen. De groepen over wie ze het hebben, zijn kansarme groepen. Het zijn de BSO-ers die alsnog een hoger diploma willen halen, de kinderen met een migratieachtergrond voor wie Nederlands niet vanzelf komt, de cultuurarme kinderen voor wie bepaalde algemene kennis niet zomaar voorhanden is, de kinderen met leerstoornissen die nooit geleerd hebben hoe ze zelf kunnen compenseren… Wie niet zal plooien voor zo’n test, en de mislukkig die ze voorspelt, zijn de kinderen die het zich kunnen permitteren – kinderen die rijk zijn, in centjes of – zoals ik – in kansen en steun.

 

Al doende, leert men, zegt het spreekwoord. Een wijsheid als een koe. En dedju, ik heb zin in pensen nu.

 

Wie iets meer wil lezen over pensen maken, trouwens, kan terecht op deze FANTASTISCHE pagina op seniorennet, maar alleen als ge tegen dode varkens kunt.

4 gedachtes over “97. Kunnen toelatingsproeven voor het hoger onderwijs ooit democratisch zijn? (En ook: denkt Ben Weyts dat onderwijzen lijkt op pensen draaien?)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s