42. Wat is zo verwarrend aan Confucius?

Confucius

ALLES! Om te beginnen: zijn naam. Confucius is een latinisering van Kǒng Fūzǐ of K’ung-fu-tzu, wat ‘meester Kong’ betekent, maar eigenlijk heet hij Kong Qiu of K’ung-tzu. WAT?! Waarom al die namen? Wel, omdat het overzetten van Chinese karakters naar westerse letters geen klein bier is, en er verschillende methoden zijn [x]. En elk van die methoden levert een voor ons radicaal andere naam op. Laten we het dus maar bij de Latijnse versie houden: Confucius, de grondlegger van het confucianisme.

Confucius werd geboren in 551 BCE* in Qufu, waar hij 70 jaar later stierf. Qufu was ook Confucius’ jiaxiang, zijn plaats van herkomst, bepaald door het feit dat zijn voorvaders daar generaties eerder ook al geboren werden. En dat is niet onbelangrijk: het confucianisme draait om traditie, en toebehoren – aan een plaats, aan een stand in de maatschappij, aan een beroep.

Qufu behoorde in Confucius’ tijd tot het hertogdom Lu, een onafhankelijke staat die tijdens de Periode van de Lente en de Herfst eerst een sterke bloeitijd kende, maar dan in verval geraakte. Confucius’ geboortehuis staat er nog steeds, en is de oudste confuciustempel in heel China.

 

Confucianisme is meer dan een filosofie zoals wij dat begrijpen: in het westen wordt filosofie immers vooral beschouwd als een niet-wetenschappelijke maar desondanks zeer rationele en intellectuele manier om de wereld te beschouwen en te begrijpen, los van religieuze en rituele elementen. Maar confucianisme is zowel een theorie van de werkelijkheid, als een maatschappelijke ethiek, als een spiritualiteit waarin traditie een belangrijke rol speelt.

Als politieke theorie schrijft het confucianisme voor dat geleerden de macht in handen moeten nemen, en omgekeerd: dat machthebbers eerst vlijtig gestudeerd moeten hebben. Dit heeft onder meer te maken met het woelige politieke klimaat in de Periode van de Lente en de Herfst, waarin machthebbers voortdurend wisselden en ook binnen de gemeenschap heel veel onrust heerste. Die machtsvacuüms moesten ingevuld worden, maar Confucius was geen voorstander van het veroveren van land of het gebruik van geweld. In plaats daarvan moest er vastheid en stabiliteit zijn, en dus: een standenmaatschappij. Maar toch ook weer niet, want Confucius geloofde dat alle mensen gelijk zijn.

Verwarrend, toch? Confucius geloofde dat alle mensen gelijk geboren zijn, en evenveel waard zijn. Maar anderzijds ervaarde hij de instabiliteit van zijn eigen tijd als een bedreiging voor de samenleving. In plaats van intelligente, competente mannen uit de lagere klassen aan te moedigen om op te klimmen op de sociale ladder, vond hij toch dat mensen hun plaats moesten kennen. En tegelijk lanceerde Confucius ook het idee van de meritocratie: iemand die echt goed leeft, die doet wat moet gedaan worden, kan puur door die beoefening van het goede een aanzien en respect (en dus macht) krijgen, die eigenlijk niet samenhangt met de status waarmee hij geboren is. Zo iemand wordt junzi genoemd.

 

Het confucianisme omvat ook een ethisch systeem, waarvan de basis de gulden regel is. Bij Confucius wordt dit samengevat in het concept ‘vergiffenis’: wat je voor jezelf niet wenst, wens dat ook een ander niet toe. Aangezien we voor onszelf zelden onbegrip, haat en straffen toewensen; is vergiffenis dus een morele plicht in het confucianisme, net als in bijvoorbeeld het christendom.

Daarnaast kent het confucianisme als ethisch systeem zes belangrijke deugden. De eerste, Ren, is afgeleid van de gulden regel en betekent ‘menselijkheid’. Ren betekent dat als je het goede wil doen, je moet kijken naar hoe alle betrokkenen door jouw beslissingen geraakt worden, en die beslissingen nemen waarbij zoveel mogelijk het goede veroorzaakt wordt voor de betrokkenen, en zo weinig mogelijk het slechte. Het is dus een heel situatie-gebonden manier om naar goed en kwaad te kijken, waarin de ander een heel belangrijke rol speelt.

Dat idee van de ander betrekken in je handelen en in je keuzes, zit ook in de deugd van de trouw (Chung) en van de wederkerigheid (Shu). Confucius ziet mensen als schakels in grotere gehelen: zo’n schakel op zich heeft geen betekenis tot ze in verband gebracht wordt met anderen. Dan pas krijg je een ketting, en uit die ketting kan je een leiband vervaardigen, maar ook een juweel of een maliënkolder. Elk mens is een schakel in een aantal kettingen: je gezin en familie, je dorp, je land. Jouw keuzes beïnvloeden de hele ketting, en dus moet je je heel erg bewust zijn van de mogelijke gevolgen van jouw beslissingen.

Een heel belangrijke deugd die ook een centrale rol speelt in de organisatie van de samenleving is daarom Xiao of ‘kinderlijke gehoorzaamheid’. Dit betekent dat een kind (met name de zoon) moet luisteren naar de vader, maar de vader moet op zijn beurt ook het respect verdienen van de zoon, door voor hem te zorgen en hem te onderwijzen. Dat wil niet zeggen dat een vader die zijn zoon verwaarloost of mishandelt niet gerespecteerd moet worden; maar het is wel de morele plicht van elke vader om het respect van zijn zoon te verdienen. Deze sterke hiërarchische relatie ligt aan de basis van de confuciaanse maatschappij.

Daarnaast zijn er Yi en Li, ‘rechtvaardigheid’ en ‘fatsoen’. Deze bepalen de dagelijkse omgang van de mens met de ander. Rechtvaardigheid betekent voor Confucius dat je altijd zo handelt dat je (ook) het belang dient van iemand anders dan jezelf. Fatsoen is dan weer respectvol omgaan met de ander: ‘het juiste doen op het juiste moment’. Handelen is voor Confucius dus niet iets impulsief: je moet er goed over nadenken, want – zoals gezegd – je moet je altijd bewust zijn van de gevolgen voor de hele gemeenschap.

Dit hele ethische systeem draait op het concept van Shu, wederkerigheid. Als de vader goed voor de zoon zorgt, dan kan de zoon zijn vader gemakkelijker respecteren. Als de zoon zijn vader respecteert, zal de vader het gemakkelijker hebben om voor de zoon te zorgen. Deze wederkerigheid komt op alle niveaus van de samenleving voor, van de persoonlijke relaties binnen het gezin tot de relatie van de burger met de overheid: de overheid moet wetten maken die de burgers beschermen en ondersteunen, en de burgers moeten de wetten volgen die de overheid maakt. Als beide partijen zich daaraan houden, ontstaat er vanzelf een evenwicht, en dat is het ideaal: een harmonieuze samenleving, stabiel en rustig.

In dit ethische systeem speelt de junzi de rol van moreel voorbeeld. Hij leeft volgens het principe van Ren, en wordt gezien als een haalbare vorm van spiritualiteit. Een wijze of geleerde kan immers niet elk mens worden, omdat er ook op het land gewerkt moet worden of handel moet worden bedreven. Maar elk mens kan wel streven naar junzi zijn.

 

Dit concept wijs er al op dat confucianisme meer is dan een rationele theorie van ethiek en maatschappij. Er zit ook een sterk spirituele component in, en die heeft ook te maken met een bepaalde verklaring van de werkelijkheid . In die visie is het concept van Tian heel belangrijk: Tian is het traditionele idee van de Hemel (t.o.v. de aarde of Di), waar Confucius een aantal ‘krachten’ aan toeschrijft.  Daardoor beantwoordt het meer aan het taoïstische idee van de Dao: het ordenende principe, het geheel, het pad waarlangs de werkelijkheid werkzaam is. Tian kan oordelen over iemand en dat oordeel kan resulteren in leven of dood; Tian kan situaties beïnvloeden maar bevat ook een vorm van voorzienigheid, die een goed mens beloont door hem een goed leven te schenken. Confucius verwijst vaak naar goede mensen als afspiegelingen van Tian. De vertaling ‘Hemel’ die vaak gebruikt wordt, is misleidend, omdat voor een westerling ‘hemel’ verwijst naar een plaats, of een zalige staat van zijn. Voor Confucius is Tian een kosmisch principe maar ook de kosmos zelf, het geheel maar ook de manier waarop het geheel geordend is en werkzaam is.

Als Tian de kosmos is én hoe de kosmos geordend is, dan is alles Tian. Ook wij zijn Tian, en wanneer wij leven zoals we moeten leven, dan vallen we samen met wat ons voorgeschreven is. Je kan deze redenering bekijken als een vorm van pantheïsme: Tian heeft goddelijke elementen in zich, en Confucius erkent ook het bestaan van goden en het belang van rituelen en voorouderverering. Dat kadert ook in zijn ideaal van harmonie: een wederkerigheid tussen de goddelijke voorzienigheid en de menselijke dankbaarheid, maar ook tussen de voorouders en de levenden. Traditie verbindt mensen met elkaar: over de grenzen van dorpen en landen heen, maar ook over de grenzen van leven en dood.

Het geheel van al die concepten kent nog steeds wereldwijd miljoenen volgelingen, die Confucius zelf als een leermeester of een heilige zien, die zijn voorbeeld volgen in hun dagelijkse leven. [x]

Confucianisme is zo verwarrend voor ons westerlingen omdat het de spirituele zienswijze van het oosten, waarin traditie, harmonie, komische energie en verbondenheid een belangrijke spelen, combineert met de rationele ethiek die wij in het westen gewoon zijn. Maar net dat maakt het zo’n interessante filosofie. (Vind ik zelf.)

* Ik gebruik het minder eurocentrische en meer neutrale (before) common era.

Advertenties

2 gedachtes over “42. Wat is zo verwarrend aan Confucius?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s